Ik ben Mavis Robles, mijn meisjesnaam is Rier. Ik ben 81 jaar, ik heb 3 kinderen en 6 kleinkinderen. Dat is mijn trots en mijn leven.

Ik zeg altijd: ik heb geen geld, maar ik heb rijkdom. Ik heb een mooi gezin, een mooie familie. Ik heb vijf zussen, we zijn met zijn zessen, en ze zijn allemaal nog in leven, verspreid over de wereld.
Ik ben geboren in Suriname. De eerste keer dat ik naar Nederland kwam was in 1963, toen was ik 17 jaar. Ik ging intern wonen in Den Helder voor de verpleging. Na twee jaar had ik heel veel heimwee en ben ik teruggegaan naar Suriname. Daar ontmoette ik mijn man, ik trouwde en in vier jaar tijd had ik drie kinderen.
Toen kon je als je trouwde of kinderen kreeg niet meer een opleiding volgen, maar het bleef prikkelen: ik wilde verpleegster worden. Toen de wet veranderde, ben ik weer begonnen met de opleiding. Na 3,5 jaar heb ik mijn diploma behaald, in 1974. Kort daarna zijn we naar Nederland gegaan, vóór de onafhankelijkheid. Met mijn man en mijn kinderen ben ik hierheen gekomen. Mijn kinderen konden snel wennen. Ze waren buitenkinderen, dus ze maakten snel vriendjes.
Ik moest wennen aan bepaalde gewoontes. In Suriname waren we heel gastvrij. Als je een koekje kreeg, ging de trommel niet gelijk dicht. Hier in Nederland was het: koekje, trommel dicht. Dat was anders. Dat warme, dat delen, dat miste ik soms.
In Suriname ben ik opgegroeid alsof we in een paradijs woonden. De buren waren één grote familie. Alles werd gedeeld. Als mijn vader veel vis had, werd het gedeeld. Als de buurvrouw mango’s had, kregen wij ook. We letten op elkaars kinderen. Dat gevoel neem ik nog steeds met me mee.
Ik heb op veel plekken gewoond: in Suriname, Nederland, Duitsland en Amerika. Daardoor heb ik een internationale visie. Uiteindelijk ben ik weer gaan werken en heb ik tot mijn 70e gewerkt in de thuiszorg als verpleegkundige. Dat werk was zwaar, maar ik heb het met liefde gedaan.
Mijn man had Parkinson. Samen met hulp van familie en vrienden hebben we voor hem gezorgd. Toen hij overleed, kreeg ik kort daarna een zwaar auto-ongeluk in Suriname. Ze moesten me met de brandweer uit de auto halen. Ik had zeven gebroken ribben, een gat in mijn long, een whiplash en een zware hersenschudding. Ik heb negen maanden gerevalideerd. Maar ik werd uiteindelijk weer de oude, ik kon alles weer.
Een maand na mijn herstel kreeg ik een infarct en was ik rechtszijdig verlamd. Ik kon niet lopen, niet praten, ik kon niks. Door therapie ben ik heel ver gekomen. Ik kan weer praten, ik kan voor mezelf opkomen. Ik loop met een vierpoot.
Ik zit in de ouderencommissie van mijn verzorgingshuis als spreekbuis voor anderen waar mijn ervaring als verpleegkundige van pas komt. Ik ben nog niet afgeschreven. Ik heb altijd doorzettingsvermogen gehad. Dat had ik als kind al. Als er wat gebeurt, dan ga ik vechten.
Nu woon ik inmiddels al drie jaar in verzorgingshuis Archipel in Almere. Ik heb het daar naar mijn zin. De helft van het personeel is Surinaams, de helft andere nationaliteiten. Met Surinamers heb je toch een speciale band, we zijn een soort Surinaams clubje. 's Avonds zitten we samen, we praten, we delen eten. Als ik pom, bojo of roti heb, dan delen we dat. Zoals ik het heb geleerd.
Almere vond ik eerst een dode stad, maar ik heb er mooie herinneringen. Met mijn kleinkinderen bij het water, zwemmen, picknicken. Dat zijn momenten die blijven.
Mijn familie is mijn leven. Met kerst zeg ik: niemand mag alleen zijn. Dan zit de tafel vol, soms twintig mensen. Dat warme gevoel, dat geef ik door. Mijn kleinkinderen zeggen zelf: we voelen ons Surinamer. Daar ben ik trots op.
Ik ben blij dat ik in Nederland woon, maar Suriname blijft mijn thuis. Toen ik de laatste keer wegging, heb ik gehuild. Maar wat ik ben, dat draag ik altijd bij me. Iedereen mag weten dat ik een Surinaamse ben.