Onze namen zijn Joyce Goede en Bonita Smit, dat is later Bonny geworden, en wij zijn zussen. In 1977 zijn we met het gezin in Almere komen wonen.

We waren bij de eerste 500 inwoners van Almere Haven. We kwamen uit de Indische buurt in Amsterdam en die werd afgebroken. Ons gezin moest daar weg, onze ouders kregen allerlei keuzes, en één daarvan was Almere. Op 14- en 18-jarige leeftijd gingen we met de auto de Hollandse brug over. Er was eigenlijk niks: zand, een bouwkeet en een paar noodwinkeltjes.
Bonny vond het eerst niks, wonen in Almere. Elke dag stond ze bij de bushalte te wachten op de bus naar de universiteit in Amsterdam. Joyce vond het daarentegen geweldig, in de Indische buurt kon nooit worden buiten gespeeld omdat het te gevaarlijk was. In de Stadswerf in Almere kon dat wel. We hadden een huis met een tuin, vijf slaapkamers en een badkamer. Dat hadden we allemaal niet in Amsterdam. Wij zijn uiteindelijk nooit weggegaan uit Almere. Je had hier woongenot, ruimte, rust. We zagen Almere steeds verder groeien. Het was toch echt van ons wel.
Onze opa is geboren in Suriname, uit een Surinaamse moeder en een witte vader die daar woonde. Hij is jong van huis weggelopen, heeft eerst door Zuid Amerika gezworven en is uiteindelijk in Nederland gekomen met een schip van de Koninklijke Nederlandse Stoomboot-Maatschappij. Opa vertelde daar eigenlijk nooit over.
In Nederland heeft hij onze Twentse oma ontmoet en daaruit is onze vader geboren. Die was net zo blond als wij. Of nou ja, zo blond als wij vroeger waren. Onze vader is later begonnen met stamboomonderzoek. In de tijd dat internet niet bestond ging hij naar archieven en schreef hij brieven naar Paramaribo voor geboorteaktes en andere papieren. Hij heeft alles uitgezocht en opgeschreven. Toen hij overleed kreeg Bonny een koffertje met al die papieren, maar daar hebben wij heel lang niets mee gedaan.
Op een gegeven moment begon het toch te kriebelen. Want ja, we hebben roots in Suriname, maar we weten er zo weinig van. Dus vorig jaar hebben we gezegd: we willen naar Suriname. Toen heeft Bonny dat koffertje weer opengemaakt. Dat was echt een soort schatkist. We vonden kopieën, brieven en documenten. Daarmee konden we in Suriname zoeken naar plekken waar onze opa en familie vandaan kwamen.
In Suriname hebben we rondgelopen op plekken uit de papieren. Het huis van opa was er niet meer, maar we stonden wel op die plek. De moeder van opa bleek van Joodse afkomst te zijn. We zijn naar Jodensavanne gegaan en daar vonden we grafstenen uit de 19e eeuw met onze familienaam. Dat was echt euforisch, heel bijzonder.
Suriname voelde als een soort thuiskomen. We hadden het gevoel dat we de plek al kenden. Mensen waren vriendelijk, open en warm. Iedereen maakte een praatje. We voelden ons welkom. Door die reis zijn we anders gaan kijken. Als je in het echt ziet waar tot-slaaf-gemaakten werden opgesloten en gemarteld realiseer je je pas hoe heftig de tijd van slavernij is geweest. Je word je bewust van de geschiedenis. We denken meer na over waar wij vandaan komen en wat mensen, al zijn het voorouders, hebben meegemaakt om hier te komen. Wij zijn op die manier ook hier in Nederland terechtgekomen. We mogen van geluk spreken dat we het zo goed hebben.