Mijn naam is John Jackson en ik woon in Almere sinds 2002.

Ik ben een Marron van de Saramaccaanse gemeenschap, directe familie van de opperhoofden van deze gemeenschap. Wij wonen oorspronkelijk heel ver weg in het binnenland van Suriname, aan de bovenloop van de Suriname Rivier.
Voor de Binnenlandse Oorlog (1986 – 1992) werkte ik met veel plezier als verpleegkundige in het binnenland. Door de oorlog was dat werk niet meer mogelijk en vertrok ik naar Paramaribo. Dat was niet wat ik echt wilde, ik wilde in het binnenland wonen, leven, werken. Door de oorlog werden de omstandigheden in Paramaribo ook steeds moeilijker, het werd lastig om aan basisbestaansmiddelen te komen. Op een gegeven moment moet je een keuze maken: Blijf ik in deze ellende of ga ik een beter leven zoeken voor mijn kinderen?
Tegen het einde van de oorlog ben ik toch teruggegaan om in het binnenland weer te helpen met de wederopbouw: Het opstarten van poliklinieken en streekziekenhuizen die kapot waren gegaan, het opzetten van kind- en moederzorg en vaccinatieprogramma's nieuw leven inroepen. Daarna ging ik terug naar Nederland want mijn vrouw en kinderen waren hier.
Mijn Surinaamse achtergrond is voor mij alles wat ik heb. Het betekent alles voor mij. Marrons zijn de nakomelingen van de Afrikanen die tot slaaf waren gemaakt en naar Suriname waren gebracht. Mijn voorouders hebben het gevecht gelijk opgepakt en zijn in de binnenlanden gaan wonen, hebben daar hele gemeenschappen opgezet. Mijn roots komen uit 300 jaar verzet en gevecht. Dus ik ben als Surinamer echt trots op het land. Het klimaat, de natuur, de mogelijkheden.
Mijn Surinaamse roots vind ik een voorrecht. Dat geef ik door aan mijn kinderen. Maar ik voel me ook thuis in Almere. Flevoland en Almere zijn op een gegeven moment gemaakt. Uit de zee gewonnen en gecreëerd. De mensen die hier zijn komen wonen, die zijn nooit geboren als Almeerders zoals Amsterdammers soms vier generaties teruggaan. Wij, de bevolking van Suriname, op de Inheemsen na, zijn allemaal daarnaartoe geïmporteerd. We zijn wel al 300 jaar in Suriname maar in de tijd gezien is dat relatief kort. Dus het creëren van een leven elders is een parallel die ik zie tussen Almere en Suriname.
Als klein mensje kan ik soms niets anders voelen dan verbazing, bewondering en ergens stiekempjes een beetje trots als ik de stad zie groeien. Want dat betekent dat er mensen zijn komen wonen die een betere woonplek hebben gevonden. Nieuwe bouwwerken staan symbool voor nieuwe mensen met nieuwe kwaliteiten die samen de gemeenschap vormen.
Ik ben vanuit Suriname in Nederland benoemd door ons opperhoofd tot traditionele gezagdrager: ‘Basja’. Het is mijn verantwoordelijkheid om de cultuur, kennis en tradities zoveel mogelijk over te dragen en levend te houden. De Basja doet dat in de gemeenschap waar hij woont, maakt niet uit of dat in Almere, België of waar dan ook is. Het gaat erom dat je eensgezindheid promoot, meedoet aan activiteiten uit andere culturen en vervolgens hen uitnodigt mee te doen aan de onze. Het gaat om wederkerigheid.
Als mensen elkaar niet kennen, kunnen ze zich niet goed tot elkaar verhouden. Zij zien elkaar dan enkel als tegenstander, als De Ander. Maar we zijn hier met elkaar, dus om een prettige toekomst voor onze kinderen en kleinkinderen te maken moeten we met elkaar in contact komen. Leren van elkaar. Accepteren van elkaar.
Ik vind het ontzettend erg als iemand zich niet prettig voelt als ik als donkere man hier rondloop, want als hij zich niet prettig voelt zal hij dat uiteindelijk overdragen aan zijn kinderen. En die zullen dat ook zo naar mijn kinderen projecteren. Daar schiet niemand iets bij op. Dus we kunnen heb beste met zijn allen werken aan een mooie omgeving, een goed leven, een florerende stad. Des te beter het gaat met de stad, des te beter het zal gaan met ons.